Door de steeds frequentere en intensere hittegolven in de zomer worden melkveehouders in de zone Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen geconfronteerd met een uitdaging die in deze regio’s lange tijd onderbelicht bleef. Hittestress kan belangrijke fysiologische en gedragsmatige gevolgen hebben voor de veestapel, zowel op het vlak van gezondheid, vruchtbaarheid en melkproductie als van melkkwaliteit. Daarom groeit de belangstelling voor strategieën die deze periodes helpen voorspellen en de impact ervan beperken. De aanpassing van veestallen is een van de pistes die binnen het project AgriClimate worden onderzocht.
Voergang in een van de in kaart gebrachte stallen. Foto: Nicolas Macé.Om de gevolgen van hittestress bij melkkoeien aan te pakken, zijn er verschillende maatregelen mogelijk. Die kunnen worden onderverdeeld in drie grote categorieën: de inrichting van de omgeving en de stal, de aanpassing van het rantsoen en de genetische selectie van dieren die beter bestand zijn tegen hitte. De eerste maatregelen kan de veehouder op het niveau van één seizoen rechtstreeks toepassen, terwijl genetische selectie een langetermijnstrategie is. De stal vormt een belangrijke aangrijpingsmogelijkheid in de melkveehouderij, omdat koeien er een groot deel van hun tijd doorbrengen en er rechtstreeks worden blootgesteld aan de omgevingsomstandigheden.
Om de omgeving waarin de dieren verblijven nauwkeurig in kaart te brengen, werd een methodologie van het Franse Institut de l’Élevage (Idele) toegepast op vijf Waalse bedrijven uit de groep akkerbouw en melkveehouderij. Dankzij de uitgevoerde metingen kon een thermische kaart van de binnenkant van de veestallen worden opgesteld. Om de maximale hittestress te beoordelen die de veestapel tijdens hittegolven ondervindt, vonden de meetcampagnes bewust plaats in de vroege namiddag, wanneer de dagelijkse piektemperatuur wordt bereikt. De ruimte werd systematisch opgedeeld in homogene deelzones. Daarbij werden uitsluitend de zones in kaart gebracht waar de melkkoeien verbleven: ligboxen, loopgangen, voergang, wachtruimte bij de melkrobot en strooiselruimtes.
De afstand tussen twee meetpunten in elke zone werd bepaald aan de hand van visuele referentiepunten, zodat de afstanden regelmatig bleven. Daarbij werd doorgaans gebruikgemaakt van de spanten van de stal. Op elk meetpunt werden drie instrumenten ingezet: een anemometer, een CO₂-sonde en een WBGT-meter voor hittestress. De eerste twee maten respectievelijk de luchtsnelheid (m/s) en de CO₂-concentratie (ppm). Het derde toestel combineerde verschillende sensoren om de omgevingstemperatuur (°C), de zwarteboltemperatuur (°C, die de warmtestraling weerspiegelt) en de relatieve luchtvochtigheid (%) te meten. De metingen werden uitgevoerd op de hoogte van de kop van de koeien. Daarbij werd rekening gehouden met hun houding in elke zone, zodat de metingen de omstandigheden weerspiegelden die de dieren daadwerkelijk ervaren, bijvoorbeeld liggend in de ligboxen of staand in de loopgangen. Ook buiten de stal werden metingen uitgevoerd, op een punt in de onmiddellijke omgeving van het gebouw.
Alle meetgegevens werden ingevoerd in een analysetool die door het Institut de l’Élevage werd ontwikkeld. Voor elke gemeten parameter werd een volledige kaart van de stal gegenereerd. Daarnaast werd op basis van de meetgegevens automatisch een hittestressindex berekend: de Heat Load Index (HLI). Deze index geeft een vrij nauwkeurig beeld van hoe een dier de combinatie van warmtestraling en hoge temperaturen ervaart. Bovendien maakt hij de verschillen in omgevingsomstandigheden binnen eenzelfde stal zichtbaar. Zo konden zones waar warmte zich ophoopt nauwkeurig worden geïdentificeerd en kon de efficiëntie van de luchtverversing in de stal worden beoordeeld. Daarnaast werden ook andere observaties uitgevoerd en met de veehouders besproken, zoals het gedrag van de dieren, hun verspreiding over de stal, de aanwezige voorzieningen, de kenmerken van het gebouw (materialen, afmetingen, openingen, oriëntatie enzovoort) en de keuzes op het vlak van bedrijfsvoering.
Op basis van deze resultaten kan een actieplan op maat van elk landbouwbedrijf worden opgesteld dat rekening houdt met verschillende bijkomende parameters die verband houden met de binnen- en buitenomgeving van de stal. Hieronder worden die in volgorde van prioriteit samengevat. Welke aanpassingen uiteindelijk mogelijk zijn, hangt af van de technische en economische haalbaarheid en van de voorkeuren van de veehouders.
Mogelijke verbetermaatregelen om hittestress bij de veestapel te verminderen, gerangschikt volgens prioriteit.Mogelijke verbetermaatregelen om hittestress bij de veestapel te verminderen, gerangschikt volgens prioriteit.
Deze aanpak maakte het mogelijk om de problematiek van hittestress bij dieren te bespreken op basis van concrete gegevens, afgestemd op elk individueel landbouwbedrijf. De verscheidenheid aan mogelijke aanpassingen benadrukt de meerwaarde van het grensoverschrijdende karakter van het project en de uitwisseling van kennis en ervaringen die daaruit kan voortvloeien.