Sorghum: een mogelijke oplossing om voedergewassen aan te passen aan de klimaatverandering?

Door steeds wisselvalligere lentes en zomers die gekenmerkt worden door hittegolven en watertekorten, worden landbouwsystemen gedwongen zich aan te passen. In de grensregio Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen leidt deze klimaatevolutie ertoe dat men belangstelling krijgt voor teelten die tot nu toe nauwelijks of niet aanwezig waren. Binnen het project worden daarom verschillende innovaties onderzocht. De teelt van sorghum is daar één van.

Er bestaan drie hoofdtypes sorghum, elk met eigen kenmerken en toepassingen: graansorghum, meermaals oogstbare sorghum (multi-cut) en zoete sorghum. Hun eigenschappen en potentiële meerwaarde voor de grensregio worden hieronder samengevat: 

Types Sorghum 

Toepassing 

Belangrijkste kenmerken 

Belang voor de grensregio 

Graansorghum 

Graanproductie 

  • Lange groeicyclus 

  • Hoge warmtebehoefte 

Zeer beperkt: het gewas bereikt onder de huidige omstandigheden in de regio moeilijk voldoende rijpheid. 

Multi 

Voederproductie 

  • Sterk hergroeivermogen 

  • Bevat geen zetmeel 

  • Variabele voederwaarde 

Beperkt: de hergroei is soms onvoldoende om meerdere oogsten mogelijk te maken. 

  

Zoete sorghum 

Voederproductie 

  • Hoge biomassaproductie 
  • Ophoping van oplosbare suikers in de stengel 

  • Prestaties afhankelijk van ras en jaaromstandigheden 

Veelbelovend: een goed compromis tussen biomassaproductie, aanpassing aan droge en warme omstandigheden en voederwaarde. 

Van deze drie types lijkt zoete sorghum de meeste perspectieven te bieden voor onze regio. Daarom richt de innovatie binnen het AgriClimate-project zich specifiek op dit type. Het doel is om beter te bepalen welke rassen het best aangepast zijn aan onze omstandigheden en in welke situaties zoete sorghum een echte meerwaarde kan vormen als voedergewas in de grensregio.

Het belangrijkste voordeel van sorghum is zijn vermogen om hoge temperaturen te verdragen terwijl het weinig water nodig heeft. De meerwaarde ten opzichte van maïs of gras beperkt zich echter niet tot een grotere droogtetolerantie. De verschillen tussen rassen van zoete sorghum kunnen namelijk zeer groot zijn, zowel wat betreft biomassaproductie, drogestofgehalte als voederwaarde.

Concreet werden vijftien rassen van zoete sorghum, geselecteerd op hun potentieel voor de grensregio, ingezaaid op een proefperceel dat door de projectpartners wordt opgevolgd.

De proef werd aangelegd op 26 mei 2026. In onze regio kan sorghum idealiter ongeveer twee weken eerder worden gezaaid, maar omdat de tweede helft van mei koeler was dan normaal, werd de inzaai uitgesteld. Toen de temperaturen daarna opnieuw stegen, werd een snelle opkomst verwacht. Toch verliepen ook de daaropvolgende twee weken relatief koel, wat de ontwikkeling van het gewas bemoeilijkte. Sorghum heeft bij de kieming immers meer warmte nodig dan maïs.

Om een vergelijking mogelijk te maken werd ook snijmaïs opgenomen in de proef. Een deel daarvan werd drie tot vier weken vóór de sorghum ingezaaid, wat overeenkomt met de normale zaaiperiode voor maïs. Een ander deel werd tegelijk met de sorghum ingezaaid. Deze opzet maakt het mogelijk beide gewassen zowel onder hun gebruikelijke startomstandigheden als onder identieke inzaaiomstandigheden te vergelijken.

Na een moeilijke start ontwikkelden de verschillende sorghumrassen zich uiteindelijk zeer snel, gestimuleerd door de hoge zomertemperaturen. De beperkte neerslag in juli en augustus bleek voldoende voor het gewas. Vanaf september werden stalen genomen om de evolutie van het drogestofgehalte van zowel sorghum als maïs op te volgen en het optimale oogstmoment te bepalen.

De maïs die eerder was ingezaaid, werd geoogst op 16 september. De sorghum moest echter nog minstens twee tot drie weken langer op het veld blijven om een voldoende hoog drogestofgehalte te bereiken en zo een goede bewaring in de kuil te garanderen.

Dat verschil in oogsttijdstip is een belangrijk aandachtspunt bij de evaluatie van de teelt. Wanneer maïs half september wordt geoogst, blijft er doorgaans voldoende tijd over om een wintergroenbemester in te zaaien. Bij een sorghumoogst in oktober wordt de inzaai van een vanggewas daarentegen veel minder zeker.

De definitieve resultaten van de proef worden nog verwacht. Ze zullen een vergelijking mogelijk maken tussen de verschillende rassen, onder meer op vlak van drogestofopbrengst en voederwaarde. Deze kenmerken zijn bij sorghum mogelijk nog variabeler dan bij maïs en zullen bepalend zijn om vast te stellen onder welke omstandigheden zoete sorghum kan uitgroeien tot een nieuwe bron van ruwvoer in de grensregio.

Met deze proef wil AgriClimate een veelbelovende innovatie omzetten in concrete praktijkkennis voor landbouwers in de regio Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen. Sorghum is slechts één van de mogelijke antwoorden op de uitdagingen van de klimaatverandering, maar de veelbelovende ontwikkeling van het gewas in het voorbije jaar bevestigt dat verder onderzoek zeker de moeite waard is.

Gepubliceerd op 28 september 2026