Innovatie in de kijker: vereenvoudigde maïsteelttechnieken met focus op strip‑till

Strip‑till wordt in AgriClimate getest bij landbouwers in Vlaanderen, Wallonië en Noord‑Frankrijk. De techniek verstoort de bodem minder en verlaagt het brandstofverbruik aanzienlijk. De eerste resultaten tonen een veelbelovende stap richting efficiëntere maïsteelt.

Zoals we in een vorig artikel al aangaven, worden binnen het project AgriClimate verschillende innovaties getest bij landbouwers in de grensregio. Eén daarvan is strip‑till, een techniek die steeds meer belangstelling krijgt in de maïsteelt. Bij strip‑till wordt enkel de toekomstige zaairij bewerkt, terwijl de ruimte tussen de rijen onaangeroerd blijft. Daardoor wordt de bodem minder verstoord, blijven gewasresten aan de oppervlakte liggen en daalt het brandstofverbruik aanzienlijk in vergelijking met klassieke bodembewerking met de ploeg.

Deze innovatie wordt momenteel getest op vier landbouwbedrijven in Wallonië, Vlaanderen en Noord‑Frankrijk. Dat onderstreept meteen de meerwaarde van het grensoverschrijdende project. In de proeven vergelijken we strip‑till onder verschillende bodem- en klimaatomstandigheden en met diverse vooraf ingezaaide groenbedekkers.

Op elk proefveld wordt strip‑till vergeleken met twee referentietechnieken:

  • klassieke teeltwijze (ploegen gevolgd door rotoreg)
  • niet‑kerende bodembewerking met een oppervlakkige schijvenbewerking

In Vlaanderen lag de focus vooral op het energieverbruik. Bij gelijke werksnelheid en werkbreedte daalde het brandstofverbruik van 16,9 liter/ha bij conventioneel ploegen naar 9,7 liter/ha bij strip‑till: een reductie van meer dan 40%. Bovendien zijn bijkomende bewerkingen na het ploegen niet meegerekend, terwijl bij strip‑till meteen na het bewerken kan worden gezaaid.

In Wallonië wordt ook gekeken naar het effect van verschillende maïsrassen en startermeststoffen die bij het zaaien worden toegediend. In Noord‑Frankrijk werd vooraf een zeer oppervlakkige bodembewerking (max. 2 cm diep) uitgevoerd om een groenbedekker die onvoldoende was afgestorven beter te laten uitdrogen.

De zaai verliep op alle locaties onder goede omstandigheden en op het juiste moment. De koude temperaturen begin mei zorgden wel voor stress bij de jonge maïsplanten, zowel bij strip‑till als bij de klassieke technieken. Dankzij betere bodemvochttoestand en hogere temperaturen later in mei herstelden de planten zich geleidelijk.

De proeven tonen ook een beperking van strip‑till: wanneer de winter niet streng genoeg is om de groenbedekker volledig kapot te vriezen, is vaak een chemische vernietiging nodig vóór de toepassing van strip‑till. De oppervlakkige bewerking zoals getest in Frankrijk kan hiervoor een interessant alternatief zijn.

Ondanks deze kanttekening lijkt strip‑till een veelbelovende techniek voor verschillende rijgewassen zoals maïs, maar ook zonnebloem en sorghum. Voor wortelgewassen is de techniek doorgaans minder geschikt, al kunnen specifieke omstandigheden uitzonderingen toelaten. De evaluatie loopt verder doorheen het groeiseizoen, met onder meer metingen van opbrengst, drogestofgehalte en voederwaarde op het einde van de teelt.

 

Bedankt aan alle deelnemende landbouwers!

Gepubliceerd op 30 juni 2026